Wanneer gebruik je beide en wanneer beiden
De woorden beide en beiden lijken sterk op elkaar, maar je gebruikt ze niet in dezelfde situaties. Wie regelmatig schrijft, loopt hier al snel tegenaan. Het verschil is eigenlijk eenvoudig, maar je moet één basisregel goed in je hoofd krijgen. In dit artikel leggen we stap voor stap uit hoe je dat doet en krijg je praktische voorbeelden waarmee je jezelf en anderen kunt controleren.
Het belangrijkste verschil tussen beide en beiden
Het kernverschil is dat beide hoort bij een zelfstandig naamwoord en beiden verwijst naar personen. Met beide zeg je eigenlijk twee en met beiden bedoel je twee mensen. Als je deze korte samenvatting onthoudt, los je de meeste twijfel direct op. Alleen in enkele zinnen kun je nog moeten nadenken wie of wat er precies bedoeld wordt.
Zo gebruik je beide op de juiste manier
Je gebruikt beide als je iets zegt over twee dingen, personen of begrippen in combinatie met een zelfstandig naamwoord. Het woord staat dan bij dat zelfstandig naamwoord in dezelfde woordgroep. Denk aan zinnen waarin je zou kunnen vervangen door allebei de. Dat helpt vaak om na te voelen dat beide de juiste keuze is. Het maakt niet uit of het om mensen, dieren of voorwerpen gaat, zolang er maar een zelfstandig naamwoord achter staat.
Voorbeelden van zinnen met beide
Je schrijft beide boeken, beide kinderen, beide oplossingen of beide kanten. In al deze voorbeelden staat er direct een zelfstandig naamwoord na beide. Je kunt dan niet zomaar beiden gebruiken, want dat zou verwijzen naar personen zonder naamwoord erachter. Let er ook op dat je niet allebei en beide door elkaar haalt. Beide hoort echt bij het zelfstandig naamwoord, terwijl allebei vaker los staat in de zin.
Zo gebruik je beiden wanneer je over personen schrijft
Je gebruikt beiden als je het hebt over twee personen zonder dat er direct een zelfstandig naamwoord achter staat. Beiden is dan een zelfstandig gebruikt voornaamwoord. Het verwijst naar mensen die eerder in de zin of tekst genoemd zijn. Vervang in gedachten beiden maar eens door allebei zij. Als dat goed klinkt en over mensen gaat, dan zit je met beiden meestal veilig.
Voorbeelden van zinnen met beiden
Je schrijft zij kwamen beiden op tijd of we waren het beiden eens. In deze zinnen staat er geen zelfstandig naamwoord direct achter beiden. Het gaat duidelijk over personen en daarom kies je voor de vorm met n. Gaat de zin over dingen in plaats van personen, dan is beiden vrijwel nooit juist en kies je haast altijd voor beide.
Een simpele truc om twijfel snel op te lossen
Twijfel je tijdens het schrijven, stel jezelf dan eerst de vraag of je het over mensen hebt. Is het antwoord nee, kies dan bijna altijd voor beide. Is het antwoord ja, kijk dan of er nog een zelfstandig naamwoord bij hoort. Staat dat woord er nog bij, dan gebruik je beide leerlingen of beide collega’s. Staat het woord er niet meer bij en verwijs je alleen naar de personen, dan schrijf je zij beiden of jullie beiden. Door deze volgorde consequent te gebruiken, maak je minder fouten en ga je vanzelf sneller en zekerder schrijven.