Wanneer gebruik je liggen en wanneer leggen

Wanneer gebruik je liggen en wanneer leggen

Wanneer gebruik je liggen en wanneer leggen

De werkwoorden liggen en leggen zorgen vaak voor twijfel. Toch is het verschil helder als je let op wat er precies gebeurt in de zin. In dit artikel lees je hoe je het onderscheid eenvoudig onthoudt en in elke tekst zeker weet dat je het juiste werkwoord kiest.

Het verschil tussen liggen en leggen in één zin

Liggen gebruik je als iets of iemand ergens is, zonder dat er beweging of actie plaatsvindt. Leggen gebruik je als iemand iets ergens naartoe brengt of neerlegt. Met andere woorden: liggen is een toestand, leggen is een handeling.

Zo onthoud je eenvoudig wanneer je liggen gebruikt

Vraag je bij twijfel eerst af: ligt het voorwerp er gewoon al, zonder dat er iemand iets mee doet op dat moment Het gaat dan om een situatie die al bestaat. In dat geval kies je voor liggen. Je zegt bijvoorbeeld het boek ligt op tafel en de kat ligt op de bank. Je benadrukt dat het boek en de kat zich op een bepaalde plek bevinden, niet dat iemand ze daarheen brengt.

Wanneer kies je juist voor leggen

Als er iemand actief iets ergens neerzet of neerlegt, gebruik je leggen. Dan is er duidelijk een handelende persoon in de zin aanwezig. Je zegt ik leg het boek op tafel en kun je je telefoon even wegleggen In deze zinnen gebeurt er iets met het boek en de telefoon. Ze veranderen van plek door de actie van een persoon, en precies daarom gebruik je leggen.

Handige truuk om de keuze makkelijker te maken

Een praktische manier om het verschil te testen, is door de zin om te zetten naar een werkwoord dat je beter kent. Zo maak je voor jezelf inzichtelijk of er sprake is van een toestand of een handeling. Dit helpt je vooral als je tijdens het schrijven korte twijfel voelt opkomen.

Vervang liggen door staan of zitten

Kun je in je zin liggen vervangen door staan of zitten zonder dat de betekenis echt verandert Dan is liggen meestal juist. Je zegt bijvoorbeeld het boek staat op de plank maar ook het boek ligt op de tafel. In beide gevallen beschrijf je dat het boek zich ergens bevindt. Lukt deze vervanging goed, dan gaat het om een toestand en kies je dus voor liggen.

Vervang leggen door zetten

Kun je in je zin leggen vervangen door zetten Dan gaat het vrijwel zeker om een handeling. Je zegt ik zet het glas op tafel en je kunt ook zeggen ik leg het boek op tafel. In beide gevallen voer je een actie uit waarbij een voorwerp een nieuwe plek krijgt. Werkt deze vervanging goed, dan kies je voor leggen.

Let op vervoegingen en veel voorkomende twijfels

Twijfel ontstaat vaak bij verleden tijd en voltooid deelwoord. Weten dat leggen een zwak werkwoord is en liggen een sterk werkwoord helpt je om de vormen uit elkaar te houden en fouten in je teksten te voorkomen.

De belangrijkste vormen naast elkaar

Leggen wordt in de verleden tijd legde en in het voltooid deelwoord gelegd. Je zegt ik legde het boek weg en ik heb het boek weggelegd. Liggen verandert sterker van vorm en wordt in de verleden tijd lag en in het voltooid deelwoord gelegen. Je zegt het boek lag op tafel en het boek heeft daar gelegen. Zie je dus legde of gelegd staan, dan hoort dat bij leggen. Zie je lag of gelegen, dan hoort dat bij liggen.