Wanneer gebruik je die en wanneer dat als betrekkelijk voornaamwoord
Veel schrijvers twijfelen over het gebruik van die en dat als betrekkelijk voornaamwoord. Het goede nieuws: er is een duidelijke hoofdregel die je in bijna alle situaties kunt toepassen. Als je die regel eenmaal beheerst, wordt je tekst direct zorgvuldiger en prettiger leesbaar.
De hoofdregel: kijk naar het antecedent
Het antecedent is het woord waar die of dat naar terugverwijst. De keuze tussen beide hangt in de eerste plaats af van het geslacht en het getal van dat antecedent. Verwijs je naar een de-woord of naar een meervoud, dan gebruik je die. Verwijs je naar een het-woord in het enkelvoud, dan gebruik je dat. Deze regel geldt ook als het antecedent niet direct vóór het betrekkelijk voornaamwoord staat, zolang duidelijk is waarnaar wordt verwezen.
Die bij de-woorden en meervoud
Gebruik die als je verwijst naar een zelfstandig naamwoord dat een de-woord is, of als het om een meervoud gaat. Voorbeelden zijn: de man die, de tafel die, de beslissing die. Ook bij meervoudsvormen, ongeacht of het de- of het-woorden zijn, kies je voor die. Denk aan: de boeken die, de mensen die, de ideeën die, de huizen die. Zo houd je je zinnen helder voor de lezer en blijft de grammaticale structuur kloppend.
Dat bij het-woorden in het enkelvoud
Gebruik dat als het antecedent een het-woord in het enkelvoud is. Voorbeelden zijn: het boek dat, het huis dat, het gesprek dat. Twijfel je of een woord een de- of het-woord is, raadpleeg dan een woordenlijst of online woordenboek. Zeker bij abstracte woorden, zoals het niveau of het proces, schuilt de onzekerheid vaak in het geslacht en niet in de keuze voor die of dat. Door je antecedent te controleren, voorkom je veel fouten.
Wanneer zowel die als dat mogelijk lijkt
Er zijn zinnen waarin zowel die als dat voorkomt en waar verwarring kan ontstaan. Vaak gaat het dan om een combinatie van aanwijzend voornaamwoord en betrekkelijk voornaamwoord, zoals in: Die boeken die ik kocht tegenover Dat boek dat ik kocht. Bedenk in zulke zinnen steeds welke functie elk woord heeft. Het eerste woord wijst aan (die of dat als aanwijzend voornaamwoord), het tweede woord verwijst terug als betrekkelijk voornaamwoord volgens de hoofdregel van de-woord, het-woord of meervoud. Door die functies uit elkaar te houden, blijft de keuze helder.
Praktische tips om minder te twijfelen
Als je tijdens het schrijven niet zeker weet of je die of dat moet gebruiken, onderstreep dan in gedachten eerst het antecedent. Vraag jezelf af: is dit een de-woord, een het-woord of een meervoudsvorm? Maak daarna pas de keuze. Lees je tekst eventueel hardop; kromme combinaties vallen dan sneller op. Hoe vaker je hier bewust op let, hoe meer het gebruik van die en dat vanzelf zal gaan. Zo groeit je vertrouwen in je eigen taalgevoel en ontstaat er ruimte om je volledig op de inhoud van je tekst te richten.